NIEUWS

 

 

H

 

 

 

 

                                                                                                                                                                    

Belgische windindustrie zet zich op de wereldkaart


Door WIM DE PRETER


DEME is wereldwijd actief met speciale schepen om windmolens in zee te plaatsen.

Zoals Europese ontdekkingsreizigers ooit nieuwe continenten ontdekten, verovert de Europese offshorewindindustrie verre wingewesten. Ook Belgische kmo’s varen in het zog van wereldspelers als DEME en Jan De Nul. Al rijst soms de vraag of we mee zullen zijn met de offshoretechnologie van de toekomst. ‘Jan De Nul mag grootste windmolenpark bouwen’, ‘DEME sleept Amerikaans miljardencontract in de wacht’, ‘Staalbedrijf Smulders wint contracten voor Britse windparken’. Het is maar een kleine greep uit de koppen die de voorbije maanden in De Tijd verschenen over Belgische bedrijven die in het buitenland mogen meebouwen aan grote windparken op zee. Het recentste was een‘substantieel contract’


DEME wint Amerikaans order van minstens 150 miljoen

De nieuwsstroom toont dat offshorewindenergie in de hele wereld terrein wint. En dat Belgische bedrijven daar volop van profiteren. Gelukkig maar, want enkele jaren geleden werd nog gevreesd dat de sector zonder werk zou vallen. De windparken in het oostelijke deel van de Belgische Noordzee waren helemaal afgewerkt, terwijl een tweede, westelijke concessiezone nog verdeeld moest worden.


Expertise uit de Noordzee

De Belgische offshore-industrie lijkt er evenwel goed in geslaagd de verworven expertise in het buitenland te verkopen. ‘Ik ken geen bedrijven die ermee gestopt zijn. Integendeel, we merken dat iedereen het heel druk heeft’, zegt Ann Overmeire, directeur van De Blauwe Cluster, een organisatie die de belangen behartigt van bedrijven met zeegebonden activiteiten. ‘Er is werk genoeg’, luidt het eensgezind in de sector. Om te beginnen in Europa. We beseffen het niet altijd, maar de Noordzee is het voorbije decennium ’s werelds grootste bedrijvenzone geworden voor alles wat met windenergie te maken heeft. België staat, samen met Denemarken, Nederland, Duitsland en het VK, aan de wereldtop in geïnstalleerde capaciteit. Intussen ontwikkelen ook de Oostzee, de Baltische Zee en de kusten van de Britse eilanden zich in sneltempo tot belangrijke energiegebieden, en zijn Frankrijk en Zuid-Europa aan een inhaalrace bezig.

Dat Europese leiderschap is deels het gevolg van bewust beleid. De Europese Commissie droomt in haar Green Deal van 340 gigawa" (GW) offshorewindenergie tegen 2050. In ons land staat een uitbreiding van 2,3 naar 5,8 GW op stapel, maar wordt ook al nagedacht over een verdere expansie naar 8 GW, door het ‘opwaarderen’ van bestaande molens of het aanleggen van nieuwe parken.


Taiwan als koploper

De Europese expertise staat op het punt om ook elders in de wereld aan het werk te worden gezet. Vooral in Azië gaat het hard. ‘Enkele Aziatische landen hebben grote ambities voor offshorewind. Taiwan was altijd al de koploper, maar ook Japan en Zuid-Korea komen op’, zegt Kim Demeyer, technologiea" aché van Flanders Investment & Trade (FIT) in Singapore. Er zijn nog wel wat vertragende factoren, zoals discussies over de impact op de visserij en een ontbrekend regelgevend kader, maar de trend naar meer windenergie is onomkeerbaar. India, Australië en Vietnam steken al hun teen in het water en kunnen de volgende groeipolen worden.

Ook de Verenigde Staten maken onder president Joe Biden een inhaalbeweging. Vooral aan de Atlantische kust volgen de concessies en de miljoenencontracten elkaar op. ‘Door de lokale omstandigheden, zoals de ondiepe zeebodem, kan daar snel met de technologie uit de Noordzee begonnen worden’, zegt FIT-a"aché Ralph Moreau. De VS hebben het potentieel om een enorme markt te worden, al is de achterstand nog groot. ‘In de hele VS staan vandaag nog maar zeven windmolens op zee.’

De baggerbedrijven Jan De Nul en DEME zijn de typische wegbereiders voor het veroveren van die verre markten. Zij worden in de eerste fase van grote projecten ingezet om de zeebodem klaar te maken, funderingen te bouwen en kabels te leggen, en uiteindelijk ook de windmolens te plaatsen. Ook in de bouw van de molens en elektrische infrastructuur heeft ons land enkele grote spelers, zoals het Hobokense Smulders (funderingen), Tractebel (engineering) en de bouwer vantandwielkasten ZF Wind Power uit Lommel (het vroegere Hansen Transmissions)


Testcentrum simuleert levenscyclus windmolens

Een van de bedrijven die België op de kaart ze!en in offshorewindenergie is ZF Wind Power in Lommel, een maker van tandwielkasten voor turbines. Het begon dinsdag met de bouw van een nieuw test- en prototypecentrum voor complete aandrijflijnen (hoofdas, tandwielkast en generator in één geheel). Het investeert er 50 miljoen euro in en krijgt nog 2 miljoen euro van de Vlaamse regering. In 2024 moet het testcentrum klaar zijn. Het nieuwe centrum zal helpen in te spelen op de trend naar grotere windmolens. ‘Vandaag werken we aan molens van 15 megawa!, voornamelijk voor de Europese markt. Maar we bereiden ons voor om de komende 10 à 15 jaar op te schalen naar 30 MW’, zegt marketingmanager Kris Adriaenssen. Die megaturbines houden hoge technische en mechanische vereisten in. Belangrijk is vooral een hoog koppel (rotatiekracht) te combineren met een laag gewicht van de aandrijflijn. De ingenieurs van ZF Wind Power experimenteren daarvoor met verschillende materialen en ontwerpen. Zeker voor offshorewindmolens is het belangrijk dat ze niet alleen lang meegaan, maar ook weinig onderhoud nodig hebben. Molens op zee onderhouden en herstellen is een erg dure aangelegenheid. ‘In het prototype- en testcentrum zullen we kunnen simuleren wat op het terrein gebeurt, ook met de hulp van data die we van klanten krijgen. Zo kunnen we de hele levenscyclus van een windmolen (ongeveer 30 jaar) versneld simuleren in enkele maanden.’ Maar achter die eerste en tweede lijn staat nog een hele ba!erij kleinere en vaak innovatieve kmo’s klaar om hun graantje mee te pikken. ‘Denk aan bedrijven die oplossingen bieden om funderingen en kabels te monitoren, of ondernemingen die het optimale design van een park kunnen ui!ekenen op basis van wind- enstromingspatronen. Hun expertise zit meer in onderzoek en data, ook in samenwerking met Belgische kenniscentra zoals Sirris of het Von Karman Institute’, zegt Overmeire.


Belgische cluster

‘De Belgen hebben misschien niet veel zee, maar wel veel brains’, zegt Bart De Poorter, directeur van DEME Offshore, dat alle offshoreactiviteiten van de DEME-groep omvat. ‘DEME is intussen voldoende bekend in het buitenland, wij hebben dat Belgische vlagje niet nodig. Maar we hebben er wel belang bij dat er een Belgische bedrijvencluster ontstaat, bijvoorbeeld door samen te exposeren in één paviljoen op de grote vakbeurzen. Denemarken kon zich ook zo wereldwijd profileren als dé windmolenexpert.’

Voor de kleinere spelers is alle hulp welkom om een voet tussen de deur te krijgen in verre markten. ‘Het echte werk begint daar pas over enkele jaren, maar je moet er vroeg bij zijn om relaties uit te bouwen. Wie te laat komt, raakt nog moeilijk binnen.’ Terwijl bij de bouw van de Belgische windparken vaak nog de voorkeur gegeven werd aan partners uit eigen land, is dat in het buitenland niet zo. Er liggen veel opportuniteiten, maar de Belgen moeten zichzelf wel verkopen.

Bureaucratie Het verklaart waarom bijvoorbeeld het Ieperse e-BO, dat een softwareplatform verkoopt voor het beheer van offshore-infrastructuur, een kantoor opende in Taiwan en recent twee keer deelnam aan een economische missie naar Japan. ‘Die landen hebben nog niet de tijd gehad om dezelfde competenties te ontwikkelen als in Europa, maar dat is een kwestie van tijd. We hebben een venster van zo'n vijf jaar, De Belgen hebben misschien niet veel zee, maar wel veel brains, waarin we zo veel mogelijk kansen moeten grijpen’, zegt CEO Christophe Dhaene, die tevens directeur is van Belgian Offshore Cluster, een vzw die Belgische offshorebedrijven verenigt. Wie buiten Europa zaken doet in een gevoelige sector als energie, moet wel rekening houden met bureaucratie en politieke hindernissen. Zowel in Azië als in de VS kunnen protectionistische reflexen het werk bemoeilijken, zoals de eis om met lokaal personeel of plaatselijk gebouwde schepen te werken. ‘Onder de Amerikaanse wetgeving, de Jones Act, moet het transport tussen twee Amerikaanse havens gebeuren door Amerikaanse schepen. En ze beschouwen ook windparken als een Amerikaanse haven’, zegt De Poorter. DEM lost dat op door samen te werken met lokale partners, een strategie die ook Demeye aanraadt om zaken te doen in het Verre Oosten.


China

Dat politiek een spelbreker kan zijn, is nergens duidelijker dan in China. Hoewel dat land naar eigen zeggen de grootste geïnstalleerde offshorewindcapaciteit ter wereld heeft, komen buitenlandse bedrijven er niet of nauwelijks aan de bak. ‘We zijn niet zo happig op China vanwege de geopolitieke spanningen, de problemen met intellectuele eigendom en beveiliging’, zegt Dhaene. ‘Het is geen toegankelijke markt voor Vlaamse bedrijven. Sommige hebben het geprobeerd en hebben gefaald’, bevestigt Demeyer. Omgekeerd leeft de vrees dat Chinese offshorebedrijven vroeg of laat de Europese markt overspoelen met goedkope producten, zoals eerder ook in de telecommarkt gebeurde. Bij enkele Europese projecten worden al Chinese funderingen en heipale gebruikt, weet De Poorter. Al denken sommigen dat het kwaliteitsverschil een zeker bescherming biedt. ‘We zien dat ze technieken gebruiken die minder geavanceerd zijn. Daarom geloof ik niet dat ze snel naar andere markten zullen kijken’, zegt Demeyer.


Drijvende windparken

Een belangrijke vraag is of de Belgische windindustrie in staat zal zijn haar sterke positie te bewaren. Niet alleen zal er onvermijdelijk meer concurrentie komen uit nieuwe markten, er komen ook nieuwe offshoretoepassingen en technieken aan waar we als Belgen minder ervaring mee hebben. Een van die innovaties zijn 'drijvende windmolens' die niet vastzi!en in de zeebodem, maar op platformen rusten die mee bewegen op de golven. Ze zijn nog volop in ontwikkeling, maar zullen over enkele jaren hun opwachting maken op plekken waar de bodem te diep is voor klassieke windmolens. Omdat onze Noordzee niet geschikt is voor die technologie moeten Belgische bedrijven proberen via Europese allianties en consortia toch ervaring op te doen.Een andere opportuniteit dient zich aan met projecten om groene waterstof op zee te produceren, met energie die afkomstig is van windparken. ‘We hebben in België al twee topbedrijven in de productie van elektrolyzers (de machines om waterstof te produceren, red.): John Cockerill en Cummins. Als we die expertise combineren met onze offshoreknowhow kunnen we een voorsprong nemen’, zegt Overmeire. ‘Helaas is onze Belgische Noordzee daar te klein voor. Maar het zou jammer zijn als weonszelf in de voet schieten door die expertise niet op te bouwen. Daarom stellen we voor enkele testzones mogelijk te maken in onze Noordzee.’

Bron : De Tijd

                                                                      

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

ajxmenu1