HISTORIEK  HISTORIQUE  HISTORIC

 

 

H

 

 

 

 

 

                                                                                                                                                                                                                                          

De Bourgondische expedities naar Rhodos, Constantinopel en Ceuta 1441-1465 (I)

 

door Roger DEGRYSE

Voordracht gegeven op 5 november 1965 

 

1. DE EERSTE TOCHT NAAR RHODOS (1441-1442)

De drie eerste Bourgondische hertogen koesterden een. kruistochtideaai, dat ze werkelijk in daden hebben weten om, te zetten, alhoewel met zeer weinig tastbare resultaten. Zo nam Jan zonder Vrees, zoon van hertog Filips de Stoute, in 1396 deel aan de Hongaarse veldtocht tegen de Ottomanen, die tot aan de Donau waren doorgedrongen, maar hij werd er verslagen en samen met een schaar Vlaamse ridders gevangen genomen. Deze nederlaag, die in de geschiedenis onder de benaming slag bij Nicopolis bekend staat, moet bij de Bourgondische vorsten een wrange nasmaak nagelaten hebben, vermits ze er steeds bleven aan denken een waarachtige kruistocht tegen de Turken en andere muzelmannen in het bekken van de Middellandse Zee op touw te zetten. De stichting van de Orde van het Gulden Vlies in 1430 is daarvan een treffend bewijs.

Het onmiddellijk uitgangspunt van de kruistochambities van Filips de Goede, de derde hertog van Bourgondïe in Vlaanderen, is wellicht te zoeken in diens huwelijk met Isabella, infante van. Portugal en zuster van Edward I, de koning van dat land (1433-1438). Deze vorst had in 1436 aan zijn broeders Ferdinand en Hendrik, de laatste bijgenaamd de Zeevaarder, toestemming en steun verleend, voor een kruistocht tegen de Marokkaanse havenstad Tanger. Alhoewel de Portugezen. reeds, in 1415 er in geslaagd waren het belangrijke steunpunt Ceuta op de Moren te veroveren, liep ditmaal de onderneming falikant af. De infant Ferdinand moest door zijn broer Hendrik als gijzelaar in de handen van de Marokkanen achtergelaten worden. Dezen beloofden hem vrij te laten in ruil voor de ontruiming en teruggave van Ceuta, wat de Portugezen weigerden te doen. De ongelukkige prins zou in 1443 te Fez als martelaar in Moorse gevangenschap omkomen.

Ongetwijfeld heeft de hertogin van Bourgondië het hare tot de bevrijding van haar broeder willen bijdragen en haar gemaal weten te overtuigen haar daarin te helpen. Dit zou althans de reden zijn geweest — zo we een Antwerps kroniekschrijver mogen geloven waarom Filips de Goede in 1439, onmiddellijk na de dood van Edward I van Portugal, in de streek van. Antwerpen, aan het Kalbekeveer, tot het bouwen van een "grant nave" of groot schip van het « nào »-type deed overgaan. Het waren Portugese scheepsbouwers en timmerlui, die het vaartuig maakten en te water lieten. Te oordelen naar hetgeen de tijdgenoten ons daarover weten mede te delen, moet het inderdaad een voor die tijd zeer groot schip geweest zijn, een soort kraak, vermits men er toen nog nooit een van dergelijke grootte op de Schelde gezien. had . De « grant nave » werd nog in 1440 naar Sluis overgebracht, waar ze verder opgetuigd en ook bewapend werd . De hertogin hield zich persoonlijk met deze uitrusting bezig, vermits zij de grote mast en de twee andere master van het vaartuig te Sluis liet aankopen en vervolgens in het vaartuig liet opstellen.

Naast het « grootschip», hadden Filips de Goede en zijn echtgenote in 1439 door andere Portugese scheepsbouwers eveneens een karveel doen bouwen, ditmaal in de nabijheid van Brussel waar het — waarschijnlijk op de Senne of het kanaal naar Antwerpen — te water gelaten werd. De bouw van dergelijk vaartuig was op dat ogenblik een belangrijk initiatief, aangezien het karveel tot een nieuw scheepstype behoorde, wat dan ook pleit voor de nautische belangstelling van de hertog of beter van de hertogin. Tevens blijkt hieruit, dat dit type van schip van Portugese oorsprong was. Ten slotte bewapende Filips de Goede te Sluis nog een « balengier » of oorlogsroeiboot, die hij van Hendrik van. Borsel, heer van Veere en machthebber op het eiland Walcheren, gekocht had. Aldus beschikte de Bourgondische vorst over een drietal schepen, waaronder twee van grote omvang en geschikt voor verre reizen, evenals voor de strijd op zee. Deze kleine vlootmacht werd, na te zijn bemand, van de nodige leeftocht, waaronder vlees en vis, voorzien. Van een kruistocht tegen Tanger, zou het evenwel een expeditie worden tot hulpverlening aan de Johannieters of Hospitaalridders op het eiland Rhodos, dat door de Muzelmannen uit Egypte bedreigd werd .

Het Bourgondische smaldeel vertrok op 10 mei 1441 uit Sluis in de richting van het zuiden en de Middellandse Zee. Het stond onder het bevel van ridder Geoffroy de Thoisy, die tevens kapitein van de «grant nave » was .Deze Bourgondische edelman, neef van Jean de Thoisy, bisschop van Doornik en kanselier van Bourgondië was reeds vroeger, in gezelschap van Bertrandon de La Brocquière, een bijzonder Bezant van Filips de Goede, in het Heilig Land en de Levant op reis geweest. Ditmaal richtte hij zijn vaart naar Ceuta, waar hij op 6 juli aankwam, drie tonnen wijn kocht en het vaatwerk, benevens de tafellakens uit zijn schepen liet reinigen. Op 21 oktober treffen we het groot schip aan te “Way lez Saonne”, wat er dus op wijst, dat het samen met de twee andere vaartuigen de Rhône en de Saône tot in de Bourgondische gewesten opgevaren was. Nog voor het einde van het jaar moet Geoffroy de Thoisy opnieuw naar de Middellandse Zee afgezakt zijn om, de steven naar het eiland Rhodos te wenden. In december 1441 vinden we althans het groot schip aldaar met een nieuwe bemanning. Dat het er geweest is, blijkt ook uit een paar kwijtschriften betreffende de boekhouding van de expeditie, die naast een militair, ook een commercieel duel had. Daaruit vernemen we, dat Jehan Bayart, een koopman, die de tocht meemaakte, op Rhodos en elders, voor rekening van de hertog, 110 stuks Werviks laken verkocht had, waarvan de opbrengst moest dienen om de uitgaven van de expeditie te helpen bekostigen.

 

Geoffroy de Thoisy moet met zijn. drie schepen ongeveer een half jaar, waarschijnlijk van december 1441 tot begin juli 1442, op Rhodos gebleven zijn. Op 6 juli 1442 althans bevond hij zich op terugtocht, want toen stierf een van de bemanningsleden op zee. De flottielje begaf zich nu naar Villefranche nabij Nice in Provence, waar haar bevelhebber een nieuwe opdracht wachtte. Tijdens deze terugkeer of kort nadien werden waarschijnlijk tijdens een schermutseling op zee zes Moren gevangen genomen.

Uit de lijsten van de betaalde bezoldigingen blijkt dat de bemanning van de drie schepen van zeer verscheiden herkomst was. Naast Portugezen waren er aan board ook Basken, Napolitanen, Grieken uit Rhodos, Bourgondiers, Korsikanen en ook Vlamingen of althans Nederlanders. Het grootste gedeelte ander hen was evenwel niet mede ge­komen uit Sluis, maar op Rhodos aangemonsterd geworden. Tellen we op de rollen van de uitbetaalde bezoldigingen het aantal bemanningsleden op, die tot aan de terugkeer naar Villefranche gediend hadden of daar zelfs nog aangemonsterd geworden waren, dan komen we voor de grote “nave“ tot een aantal van zowat 150 koppen, waaronder, naast de schipper en de ridders, ook een chirurgijn, een aalmoezenier, een bakker, een kok, twee kanonniers, zes schildknapen, vier hoornblazers, timmerlui, kalfateraars, scheepsjongens en zowat 70 matrozen.

 

2. DE TWEEDE TOCHT NAAR RHODOS (1444)

Vanaf juli of augustus 1442 bevond Geoffroy de Thoisy zich met zijn drie schepen in de Provençaalse haven Villefranche nabij Nice. Van oktober 1442 tot pasen 1443 liet hij er de nodige herstellingswerken aan de grote “nave“ het karveel en de « balengier » uitvoeren, de rompen kalfateren, zeilen vernieuwen en de wapenrustingen terug in orde brengen .Dan schijnt hij de opdracht te hebben ontvangen er toe te zien op het bouwen, optuigen en, bewapenen van drie galeien en een galjoot met het oog op een nieuwe kruistocht, die Filips de Goede, in samenwerking met de paus en de republiek Venetië, tot bescherming van Constantinopel, gepland had. Samen met de grote « nave », het karveel en de balengier », zouden deze galeien worden gevoegd bij vier andere, die door de Venetianen ter beschikking van de hertog gesteld geworden waren. De zorg over de uitrusting van dit Venetiaanse smaldeel droeg de hertog op aan Walerand de Wavrin, die hij in april 1944, waarschijnlijk ander de vorm van een associatie, tot kapitein-generaal van de ganse Bourgondische vloot in de Middellandse Zee aanstelde Deze vloot zou samen met andere Venetiaanse en pauselijke galeien ter verdediging van Constantinopel in de zeeëngten aldaar samengetrokken worden.

In het kader van gans dit strijdplan werd Geoffroy de Thoisy in, de loop van het jaar 1443 als kapitein van de grote « nave » en bevelhebber van de drie uit Sluis vertrokken schepen door Martin Affonsse d'Oliveyra vervangen. Hij zelf werd tot bevelhebber van de drie galeien en het galjoot, die te Villefranche gebouwd werden, aangesteld. Daarheen werden in februari of maart 1444, vanuit de Bourgondische gewesten, de nodige galeiboeven tot aanvulling van de bemanning heen gestuurd. Over de schillende uitgaven in verband met de voeding, bezoldiging en verzorging van de bemanningen van de grote « nave », het karveel en de « balengier » bleven er een hele reeks rekeningen bewaard. Daarin vinden we ook allerlei onkosten opgesomd voor het onderhoud van deze drie schepen, die tot september 1444 te Villefranche bleven liggen.

Wavrin vertrok op 6 juli 1444 met zijn vier galeien vanuit Venetië. Aangezien deze vaartuigen en hun kapiteins Venetiaans waren, had hij met de instructies van de republiek Venetië rekening te houden. Een van deze instructies verbood uitdrukkelijk aan de kapiteins van de galeien, die tegen de Turken zouden worden ingezet, tegen de sultan van Egypte op te treden. Deze beraamde nochtans op dat ogenblik een nieuwe aanval op Rhodos. Gelukkig kon Geoffroy de Thoisy, bij ontstentenis van Wavrin, de bedreigde Hospitaalridders nog op het nippertje ter hulp snellen. Wanneer hij eigenlijk met zijn smaldeel van drie galeien en een galjoot uit Villefranche moet vertrokken zijn, weten we niet. Zeker is het, dat hij juist op tijd kwam om samen met de galeien van de koning van Aragon de Egyptische aanval op Rhodos af te slaan. De ridders van Sint Jan, die er zich opgesloten hadden, konden, dank zij de donderbussen van Geoffroy de Thoisy, gedurende het beleg, dat van 12 augustus tot 18 september duurde, standhouden. Na dit glansrijke wapenfeit begaf de Bourgondische kapitein zich met zijn smaldeel naar Gallipoli, aan de zeeëngten, om er de pauselijke, Venetiaanse en andere galeien, waaronder ook die van Wavrin, te gaan vervoegen. Over al deze gebeurtenissen worden we door de kroniek van Jean de Wavrin, een familielid van Walerand, ingelicht.

Weldra tekende zich de long verwachtte Turkse aanval af. Omstreeks het midden van oktober 1444 trokken de Ottomanes inderdaad met een grote strijdmacht over de zeeëngten, zonder dat de kristen kruisvaarders jets anders konden doen dan in de nabijheid van Constantinapel te blijven, ten einde gebeurlijk die stad te helpen verdedigen. Tot overmaat van ramp werden op 10 november de Hongaren, die de Donau overgestoken waren, door de Turken bij Varna verslagen. De Bourgondische grote « nave », benevens het karveel en de balengier, die aan de tocht naar Rhodos niet blijken deelgenomen te hebben, waren ondertussen in de loop van september, geladen met allerlei koopwaar, Villefranche naar Constantinopel vertrokken. Ze deden Messina aan, waar ze hun lading aanvulden, maar dienden er van 19 november 1444 tot midden februari 1445 op een gunstige wind te wachten, vooraleer hun reis te kunnen voortzetten. Zo is het dan ook mogelijk, dat ze pas einde maart van laatstgenoemd jaar Geoffroy de Thoisy, wiens galeien te Constantinopel lagen, konden vervoegen.

 

Wordt vervolgd