HISTORIEK  HISTORIQUE  HISTORIC

 

 

H

 

 

 

 

 

                                                                                                                                                                                                                                               

De Bourgondische expedities naar Rhodos, Constantinopel en Ceuta 1441-1465 (II)

 

door Roger DEGRYSE

 

3. DE TOCHT IN DE ZWARTE ZEE EN DE TERUGKEER (1445-1449)

Geoffroy de Thoisy was in het begin van januari 1445 aangekomen te Constantinopel, waar hij de andere galeien, waaronder de vier Venetiaanse van Walerand de Wavrin, de kapitein-generaal van de Bourgondische vloot, vond. Hij was er nog op 30 maart, vermits hij op die dag zijn wedde en de soldij van de manschappen van zijn galeien in ontvangst nam en daarvan een kwijtschrift ondertekende.Weldra werd een nieuw krijgsplan opgesteld. Geoffroy de Thoisy en Regnault de Confide zouden met de grote « nave », het karveel, de « balengier », de drie galeien en het galjoot een expeditie ondernemen in de Zwarte Zee, waar ze met de keizer van Trebizonde reeds contact opgenomen hadden. In april begon de tocht, die, na het bezoek aan Trebizonde, leidde tot Mingrelïe aan de voet van de Kaukasus. Dit was het oude Colchis, het land waar in de oudheid Jasa en de argonauten het gulden vlies waren gaan zoeken. Minder gelukkig dan de legendarische Griekse held, werd Geoffroy er door een inlands hoofd gevangen genomen en eerst na tussenkomst van de keizer van Trebizonde of van een Genuees koopman terug in vrijheid gesteld. Hij zette evenwel zijn tocht in de Zwarte Zee voort en viel er zowel Turkse als Genuese schepen aan, waarbij hij buit maakte.Ten slotte kwam hij aan te Kaffa, een Genuese kolonie in de Krim. Aldaar ontnam men hem als represaille, een vaartuig, dat hij op de Turken buitgemaakt had. Daarop zou hij in de loop van juli naar Constantinopel teruggekeerd zijn om zich in september naar Genua te begeven, ten einde aldaar zijn geschil betreffende het in beslag genomen vaartuig te regelen.

Van zijn kant was Walerand de Wavrin met een achttal galeien de Donau opgevaren, wat in augustus gebeurde. Nabij Nicopolis trof hij de Hongaarse troepen aan. Gezamenlijk, zou men pogen zich van de versterkte toren van die plaats meester te maken, wat mislukte. Wavrin en zijn Venetiaanse vloot dienden dan ook onverrichterzake terug te keren naar Constantinopel, waar zij op 2 november aankwamen. Kart daarop, omstreeks 15 januari 1446, volgde de terugkeer te Venetië zelf.

De republiek sloot in februari vrede met de Turken en er bleef Wavrin niets anders over dan definitief af te reizen en het Bourgondische hof te gaan vervoegen.

In tegenstelling tot Wavrin, blijkt Geoffroy de Thoisy naar de rest van de Bourgondische vloot in de Levant, namelijk de grote “nave" het karveel, de  "balengier” en de vier galeien, teruggekeerd te zijn. Aldaar moet hij zich nog op 22 december 1446 bevonden hebben. Dan eerst of kort nadien kan hij naar de Nederlanden afgereisd zijn. Voor deze terugkeer bestonden nu gegronde redenen. Niet alleen was het karveel op een bepaald ogenblik in de Middellandse Zee door de Katalanen gekaapt en beroofd geworden, maar de grote « nave » zelf lag te Constantinopel aan de ketting als pand voor de leningen, die Wavrin eertijds aldaar aangegaan had. Deze laatste, als kapitein-generaal van de Bourgondische vloot, was inderdaad zoveel als de geassocieerde van de hertog in diens onderneming in de Levant geweest. Weges zijn recht op de tiende penning, geheven op alle gekaapte goederen, had hij leningen aangegaan en ook eigen geld in de expeditie geïnvesteerd. De opbrengst van de kaperijen blijken onvoldoende te zijn geweest, om alle leningen te kunnen betalen, zodat de ganse onderneming met een deficit dreigde te eindigen. Zelfs de bijzondere afgezant van de hertog, de Italiaan Olivier Maruffle, slaagde er niet in deze hypotheken af te lossen. De grote « nave » bleef aan de ketting liggen te Constantinapel en zou niet meer vrijgegeven worden. Op 25 augustus 1449 verliet de rekenplichtige Fastre Hollet voorgoed dit vaartuig om naar de Nederlanden terug te keren en zijn rekeningen in te dienen.

De grote "nave" en het karveel blijken dus nog voor het einde van 1446 uitgeschakeld te zijn geweest. Dit was niet zo voor de drie Bourgondische galeien en het galjoot, Geoffroy de Thoisy, die, teruggekeerd in de Nederlanden, in april 1447, wegens het verlies van zijn goederen in het gekaapte karveel, van Filips de Goede een vergoeding van 500 “saluts de 48 gros” ontvangen had , was als bevelhebber van dit smaldeel door zijn neef Jacquot de Thoisy vervangen geworden. Deze zakte nu met de overgebleven vaartuigen langs de kusten van Syrïe, Egypte en Noord-Afrika naar Marseille af en maakte zich daarbij schuldig aan zeeroverij, niet alleen ten nadele van de Moren, maar ook ten koste van de Genuezen en andere christen kooplui. In mei en december 1447 stuurde de republiek Genua bij de hertog daarover dan ook klachten in. In augustus 1448 dreigde ze zelfs met represailles en met gevangenneming van Jacquot de Thoisy. Weerwraak werd inderdaad genomen, maar dan door Venetianen, die hetzelfde jaar nog of het -volgende we weten het niet juist — de Bourgondische galeien kaapten en beroofden Deze vaartuigen blijken evenwel toch naar de Nederlanden teruggekeerd te zijn, vermits men er naderhand ernstig over nadacht ze te laten herstellen en te bewapenen om ze voor een nieuwe kruistocht in te zetten. In 1454 schonk de hertog een van zijn galeien, samen met een bedrag van 1.000 « schilden », aan Willem, bastaard van Brabant, ridder van de orde van Sint-Jan van Jerusalem, er mede op kruistocht te gaan.


4. DE TOCHT VAN ANTOON VAN BOURGONDIE (1464-1465)

Eenmaal dat de Honderdjarige Oorlog in 1453 ten einde was, dacht Filips de Goede opnieuw aan een kruistocht tegen de Turken, die dat jaar Constantinopel ingenomen hadden. Zijn raadgevers kwamen met allerlei projecten voor de dag. Waaraan de hertog eerst aandacht wijdde, was aan het bijeenbrengen van de nodige galeien. Te Duinkerke, Nieuwpoort, Sluis en Antwerpen bezat hij sinds 1449 galeihuizen, waar reeds vaartuigen ondergebracht waren. In dat jaar werd ook Bertrandon de La Brocquière, die reeds in 1432 op prospectiereis in de Levant uitgestuurd geworden was, tot kapitein van de stad Nieuwpoort en van het kasteel aldaar aangesteld. Hij zou deze functie tot 1459 blijven uitoefenen.

In 1454, tijdens het fameus feest van de fazant, werd door een hele schaar Bourgondische ridders, waaronder ook Simon de Lalaing, die als de toekomstige bevelhebber van de expeditie doorging, een plechtige eed in verband met de geplande kruistocht afgelegd. Samen met Geofffroy de Thoisy, de kapitein van de Bourgondische galeien, hield hij zich de volgende jaren met de voorbereiding van de tocht bezig en dit hield zeer veel in. De projecten, die aan de hertog voorgelegd werden, voorzagen in alles wat betrof de uitrusting, de bemanning, de bewapening en de bevoorrading van de schepen, die ingezet zouden worden. Zelfs met de tiende penning van de admiraal werd rekening gehouden. Uiteindelijk werd Antoon van Bourgondië, de Grote Bastaard, zoon van Filips de Goede en ridder van de Orde van het Gulden Vlies, aangeduid als bevelhebber van de voorhoede en Geoffroy de Thoisy als hoofd van twee te Pisa door Florentijnen te bouwen galeien. Voor de afvaart van de voorhoede werden reeds heel wat karvelen samengebracht te Sluis, waar ze onder het toezicht van Simon de Lalaing kwamen te staan. Ook Jan van Luxemburg, bastaard van Saint-Pol, die, evenals. Simon de Lalaing, Bourgondisch admiraal was, behoorde tot de leidende officieren.

Oorspronkelijk was gepland, dat Antoon van Bourgondiê, vergezeld van beide admiraals, met twee galeien en verschillende andere schepen einde april of mei 1464 uit Sluis zou afvaren. De voorhoede vertrok inderdaad op 21 mei, maar zonder Jan van Luxemburg en met Simon de Lalaing als luitenant-generaal naast de Bastaard van Bourgondïe Ze bestond volgens sommige bronnen uit 12 galeien, volgens andere, wat meer waarschijnlijk was, uit vier galeien en tien karvelen, met een totale bemanning van zowat 2.000 koppen, waaronder, naast galeiboeven, 330 Gentenaars, een contingent uit Axel en ook een reeks edellieden, die hun sporen wilden verdienen. Het smaldeel, in plaats van direct te zeilen naar Marseille, de verzamelplaats, waar de Franse vloot reeds op de Bourgondiërs lag te wachten, ging eerst, op verzoek van de Portugezen, nog even hulp bieden aan Ceuta, dat door de Moren belegerd werd. Deze hulp zou dan ook het enige positieve resultaat van de tocht zijn. Nadien begaf de flottielje zich naar Marseille, waar zij na een hevige storm einde augustus aankwam. Verder zou Antoon van Bourgondië niet geraken. Niet alleen waren de 100.000 gouden « schilden », die de « heymelicke tresor » of de private schatkist van zijn vader hem voorgeschoten had, op, maar bovendien brak er te Marseille een pestepidemie uit, die veel slachtoffers ander de bemanning en de kruisvaarders maakte en ook de twee zoons van Simon de Lalaing, die hun vader vergezelden, wegmaaiden. Tot overmaat van ramp stierf op dat ogenblik paus Pius II, die kruistocht onder zijn hoede genomen had, zodat sommige deelnemers aan de expeditie, waaronder de lieden van Milaan en Venetië, hun galeien terugtrokken.

De Grote Bastaard bleef tot begin 1465 te Marseille op nieuwe instructies wachten, gezien zowel de nieuwe paus, Paulus II, als de hertog, hun plannen niet wilden opgeven. Ten slotte dwong de vijandige houding van Lodewijk XI, de Franse koning, Filips de Goede niet alleen thuis te blijven, maar bovendien zijn bastaardzoon terug te roepen, zodat de expeditie zelf opgegeven moest worden. Antoon van Bourgondië einde februari te Brussel terug. Na de mislukking van de anderneming ging de hertog dan ook tot de liquidatie van zijn schepen over. De Medici's, de bekende bankiers en kooplui uit Firenze, namen de exploitatie van de twee te Pisa gebouwde hertogelijke galeien op zich en gebruikten ze voor de koopvaardij tussen die haven en Brugge ander Bourgondisch paviljoen. Ook de karvelen blijken geliquideerd te zijn geworden, evenals de galeihuizen langs de Vlaamse kust. Enkele jaren later, in 1467, stierf Filips de Goede.

 

BIJLAGE 1
22 oktober 1440
Certificaat, waardoor Bartholomeus de Vooght, raadsheer van Filips de Goede, bevestigt, dat Godschalk de Muelnaere en Pieter van Penage, de oude, burgers van Sluis, die respectievelijk de grote mast en de twee andere masten van de grote « nave » van de hertog geleverd hadden, voor hem verklaard hebben daarvoor door de hertogelijke commissaris, langs de ontvanger-generaal van Vlaanderen en Artezië betaald te zijn geworden.

Brussel, Alg. Rijksarchief. Fonds « Acquits de Lille », nr 961 bis (karton 955-964). Omslag « Expéditions navales ». Origineel met fragment van een zegel in rode was.


Je Berthelmi le Voogt conseiller de monseigneur le duc de Bourgoingne de Brabant de Flandres etc. Certifie en tesmoingnant par ces presentes a tous ceulx qu il appartendra que au jour duy pardevant moy sont venuz et comparus en leurs propres personnes Pierre de Penage 1 aisne et Godscalc de Muelnaere bour­gois demourans en la ville de Lescluse lesquelz et chacun d eulx ont confesse avoir eu et receu de Guilleme Tenin commis a tenir le compte des ouvraiges et autres choses necessaires pour la grant nave que maudit seigneur a nagaires fait faire en son pays de Brabant par les mains de Gautier Poulain receveur general de Flandres et d Artois les sommes qui sensievent. Cest assavoir ledit Pierre quarante sept livres de groz monnaie de Flandres pour lachat de deux mastz a lui achetez par ma dame la duchesse de Bourgoingne et ledit Godscalc cin­quante deux livres groz dite monnaie pour 1 achat d une grant mast a lui achetee par madite dame pour icelles mastz employer a ladite nave presentement admenez en son port a Lescluse. Lesqueles deux sommes montans ensemble a la somme de quatre oings dix noef livres de groz dite monnaie les dessusnommez Pierre et Godscalc se sont tenus et tiendront pour biens contens et paiez et en ont quitte et quitteront mondit seigneur le duc lesdits Guilleme Tenin et Gautier Poulain son receveur general de Flandres avec tous autres a qui quicttance en peut ou doit appartenir. Tesmoing mes scel et swing manuel le 22me jour d oc­tobre lan mil quatrecens et quarante.


(get.) B. de Vooght

 


BIJLAGE 2


maart 1441 ( n .s . )


Mandement van hertog Filips de Goede met het bevel aan de secretaris en audiencier van zijn kanselarij aan Geoffroy de Thoisy en Jehan Lodyc de nodige commissiebrieven, betreffende hun aanstelling, respectievelijk tot kapitein van de grote « nave » en rekenplichtige van dit schip en andere vaartuigen op expeditie naar Rhodos, uit te reiken.

Brussel, Algemeen Rijksarchief, Rekenkamer van Rijsel, Charters van de Audiencie (Inventaris H. Nelis) , zegels van de Audiencie, nr 134. Origineel op perkament.

Maistre Thomas Bonnesseau notre secretaire et audienchier de notre chancellerie bailliez et delivrez a notre ame feal escuier et panetier et par nous commis capitaine de notre grant nave et armee que envoyons presentement en Rodes Joffroy de Thoisy noz lettres patentes en double queuste par lesquelles lui commettons l office de capitaine dessusdit ensamble bailliez semblablement a Jehan Lodiic par nous commis notre receveur des deniers qui lui sont delivre de par nous pour la conduite de la despense d icelle armee noz autres lettres patentes par lesquelles lui commettons notre dite office de receveur aussy en double queue montant ensamble le droit de noz lettres des dessus nommez cinq livres deux solz de 40 gros que leur avons de notre grace especial donne et quitte. Sy voulons que d iceulx ne prenez aucun droit de notredit scel vous en demontez deschargiez partout ou il appartendra.
Escript en notre ville de 1 Escluse le 25e jour de mars 1400 et quarante.

 

(get.) Philippe