HISTORIEK  HISTORIQUE  HISTORIC

 

 

H

 

 

 

 

 

                                                                                                                                                                    

              

Coulisseknipsel van een trekschuit op het kanaal Oostende-Brugge-Gent. Dit is geen tekening of schilderij maar een afbeelding geknipt uit papier door Pieter Reynders -Harlingen 1801 (Fries scheepvaartmuseum). Dergelijke knipsels zijn vrij zeldzaam.

 

De trekschuit

 

De lzeren Weg van en naar Antwerpen werd ingehuldigd op 3 mei 1836 met als eindpunt Emplacement Borgerhout ten oosten van de Spaanse Wallen aan de Borgerhoutse Steenweg (nu ter hoogte van de Carnotstraat). Dat eerste eindstation was een miserabel houten gebouw met vier sporen er achter. Dat heugelijk feit wierp echter een grote schaduw, om niet te zeggen de doodsteek, op het eeuwenoude reizen per trekschuit.
Het reizigersvervoer per trekschuit gebeurde langs kanalen en rivieren niet alleen bij ons maar ook in o.a. Nederland, Engeland en Duitsland. Dit was bijvoorbeeld het geval langs het kanaal Brussel-Willebroek, de vaart naar Leuven vanuit Mechelen, het kanaal van Gent naar Brugge en andere.

Het    kanaal Brussel-Willebroek werd geopend in 1561 met grootse feesten, banketten, vuurwerk en dit gedurende vier dagen. Het is trouwens het oudste kanaal van de Lage Landen. In Nederland werd de eerste trekvaart gegraven tussen Amsterdam en Haarlem in 1631.

Waarom dit kanaal? De Zenne, een kronkelende rivier, toen breder dan nu, verbond Brussel met de Rupel aan het Zennegat. Maar deze rivier liep over het grondgebied van de Heerlijkheid Mechelen en die stad had het stapelrecht gekregen voor zout, vis en haver. Door het stapelrecht moesten de schippers hun goederen eerst te Mechelen tekoop aanbieden en tol betalen, om ze dan pas nadien te Brussel op de markt te kunnen brengen.

Maquette van een trekschuit met roefje en tent.

Tevens varieerde de waterstand van de rivier al naargelang de seizoenen, laag bij droog weer en overstromingen bij veel regen of smeltende sneeuw.

Er waren dus redenen genoeg om het kanaal te graven rond het grondgebied van Mechelen. Het hoogteverschil van 10 meter tussen Brussel en Willebroek was een bijkomende moeilijkheid, die moest opgelost worden. Dit werd opgevangen door sluizen te bouwen, wat in die tijd nog niet zo evident was.

De trekschuit had achteraan een roefje waar de eerste klas was. De minder gegoede reizigers zaten in het ruim op lange houten banken, in de tent. Zij waren beschermd tegen weer en wind door een zeil gespannen over het ruim. Later in de 18de eeuw werd het zeil vervangen door houten luiken. Die afdeling bleef echter nog altijd de tentheten. Wanneer het kanaal een bocht maakte, stond op het jaagpad een rolpaal. Deze vrij hoge palen hadden aan de waterzijde een verticale rol, die er voor zorgde dat het trektouw mee de bocht volgde en niet de koorde van de bocht nam, waardoor het schip tegen de wal zou gaan.

Het reisverhaal van de Fransman Pierre Sartre uit 1719 geeft ons een mooi beeld van de tocht van Brussel naar Antwerpen:
Men rekent de reis van Brussel slechts op 8 uren, maar ik kwam toch eerst om 5 u 's avonds in Antwerpen toe. ledere dag vertrekt de schuit in Brussel om 8 u. De trap en het Bureel waar men betaalt, worden om half acht geopend. Men betaalt voor zich zelf en een koffer slechts 29 sous tot in Antwerpen, en ontvangt dan een getekend stukje lood. Wie enkel met de schuit wil varen en te voet gaan vandaar waar de koetsen vertrekken, betaalt min en krijgt een kaart. De schuiten zelf zijn groot, hoog, en schoon. Achterop is een deel overdekt, en er zijn ook enkele rijen zitplaatsen met kussens. Vooraan en in het midden zet men de koffers. De kleine pakjes legt men in gevlochten korven waarop men gaat zitten. Beneden zijn kleine, aardige kamers, een keuken met een oven, thee, koffiegerei en dergelijke. Wie onder dak en op een kussen wil zitten betaalt nog voor elk uur 6 liards (oortjes = koperen muntjes in gebruik in de 17de en 18de eeuw), ook in de kamers beneden, moet men de plaatsen betalen. Men spant de paarden aan een groot touw, dat van boven den mast neerdaalt. Soms trekken twee paarden, soms drie, vaak zit er een man op, dikwijls loopt hij er slechts naast.

 

Men verandert vier maal van paarden en barken onderweg. Gewoonlijk heeft het overbrengen bij een klein dorp plaats, waar lieden reeds gebak, gebraad, worsten en dergelijke klaar hebben. Iedere reiziger draagt zijn kleine bagage mee, de koffers worden door den schipper, op een slede uit de schuit van het ene schip in 't andere gebracht. Iedereen loopt en spoedt om weer een goede plaats te hebben. Als men weer vertrekt blaast men den horen om de reizigers uit de huizen te saam te roepen. De paarden trekken de schuit uur aan uur. Hoe onaangenaam dit ook voor de reizigers is, het kan toch niet anders. Dit water is een kanaal van de Schelde (Rupel). Het is breed genoeg voor twee schuiten, en loopt vijf uren lang rechtdoor. In het begin ziet men langs beide kanten de schoonste wandelingen van Brussel, dan weiden, velden, landhuizen, kleine dorpen, en een weinig bos. Bij elke wisseling der schuiten is een dok, daarin machines die het water doen stijgen en weer in het volgend kanaal brengen. Men daalt telkens meer en merkt dat men Holland nadert. Ten slotte wordt het schip, met heel wat overslag, in het dok neergelaten. We bleven vijf uur op 't water. De plaats waar men uitstijgt en de Schelde (Rupel) zelf oversteken moet, heet Willebroek. De Schelde (Rupel) is niet diep, tenminste toen was ze (hij) heel ondiep, - op vele plaatsen zag men het zand - maar ze (hij) is geweldig breed. Op die plaats liggen twee schepen klaar voor hen die een loden teken en kaarten afgeven. Pas is men over met het eerste schlp, dat men bijna al vecht om plaats in de rijtuigen. lk kroop er in een langs het venster binnen. Er waren 15 personen in. Men zit heel gedrongen. De weg van daar naar Antwerpen is ene twee uur en half lange, rechte zeer aangename baan. Men ziet de torens wel anderhalf uur van te voren. lk hoorde vertellen dat men vroeger helemaal te water tot Antwerpen toe reizen kon, maar sedert drie schepen met man en muis verongelukt waren, had men de huidige schikking genomen.

                                                                            

      

Ook de Zweedse mysticus Sweden-borg doet zijn verhaal over zijn tocht, eerst van Rotterdam naar Antwerpen per boot en dan: des nachts vertrekt hij met de boot van Antwerpen naar Boom:

Daarna nam ik plaats in een grote trekschuyt veertig ellen lang en zes ellen breed, voorzien van schone plaatsen: cabines, keukens en andere plaatsen, en vooraan, ene tent waar men kon neerzitten. Wij veranderden driemaal van deze trekschuyten die door twee paarden getrokken werden. Het was een aangename en plezierige reis. Langs beide zijden stonden schone bomen. De mensen waren heel vriendelijk.

Het kanaal Brussel-Willebroek werd verscheidene malen verbreed en aangepast. Op een anoniem schilderij uit de 19de eeuw (private collectie) werd Theodoor Teichmann, ingenieur-politicus tussen 1817-1830, afgebeeld met een plan voor de verbreding van de sluis van Willebroek. In 1825 ijverde hij als Hoofdingenieur bij de Waterstaat voor de verbreding van het kanaal. Rechts op het schilderij staat een maquette van de sluis, links is een beeld van het kanaal geschilderd. Het zou interessant zijn moest deze maquette, indien ze nog bestaat, teruggevonden kon worden.
Een slotbevinding van de reizigers was dat je in een trekschuit alle gelegenheid had om de taal en de bekommernissen van de medemensen te leren kennen, alsook hun karakter en gewoonten.

 

 

De Ruimschoots Juli 2020
Kraaiennest  wzw De Vrienden vaqn het Nationaal Scheepvaartmuseum