HISTORIEK  HISTORIQUE

 

 

H

 

 

 

 

 

                                                                                                                                                                

Staking 1907


Het conflict van 1907 zette in met een onbetekenende staking van de graanmannen, die een loonsverhoging eisten en ze na enkele dagen ook kregen. Maar de patroons beschouwden deze staking als een contactbreuk : de meeste arbeiders waren immers lid van de Algemene Beroepsvereniging; zij hadden zich schriftelijk verbonden niet te staken, en hun verlangens aan het bestuurscomité voor te leggen. De toegestane loonsverhoging was dus ongeldig, en zonder de dokwerkers te horen schafte de Scheepvaartvereniging haar weer af. Toen hierna de graanmannen opnieuw staakten, verklaarden de patroons de lock-out voor de gehele haven, die duren zou tot de arbeiders door de knieën gingen. Van toegeven of zelfs van onderhandelen wilden de patroons niet horen: het conflict was voor hen, naar het woord van één hunner, 'une question de vie ou de mort' ; indien zij toegaven aan de vakbonden die de stakers steunden, was het afgelopen met hun eigen heerschappij aan de haven en dus, meenden zij, met de orde, de rust en de welvaart. Maar ook de syndicale leiders beseften dat een onvoorwaardelijke capitulatie de socialistische vakbeweging aan de haven wellicht voorgoed zou breken. Daarom bleef de bittere strijd, die een fortuin kostte aan de patroons en de handel en duizenden dokwerkersgezinnen uithongerde, hopeloos voortduren en ging men zich op de duur afvragen of er wel een oplossing zou gevonden worden.

Waarom begonnen de vakbondleiders een strijd waarin zij bijna onvermijdelijk aan het kortste eind moesten trekken ? Zij deden het niet goedschiks en hadden liefst een conflict vermeden, waarvan zij de noodlottige gevolgen voor hun nog jonge organisatie vreesden. Maar met hun voorstellen aan de patroons over de grieven van de dokwerkers hadden zij geen succes: er kwam hierop vanwege de Scheepvaartvereniging niet eens een antwoord, omdat voor de patroons de socialistische vakbond niet bestond; alleen het comité van de Algemene Beroepsvereniging was gemachtigd om de arbeidskwesties aan de haven te regelen. Dat zij wel bestonden en het recht hadden om in naam van de dokwerkers op te treden, wilden Chapelle en Wieme toen op een originele manier bewijzen. Zij hielden aan de haven een referendum over twee vragen: "Zijt gij, ja dan neen, voor een minimumloon van zes frank ? Zijt gij, ja dan neen, voor 100 pct. verhoging voor zondagswerk ?" Een dergelijke vraag aan arbeiders stellen mag naïef lijken. De hele aangelegenheid was echter bedoeld 'als een demonstratie', een 'Barnum-middel om de aandacht van de dokwerkers op "Willen is Kunnen" te vestigen', en om de patroons te laten beseffen dat de socialisten de arbeiders in hun handen hadden. Het referndum werd gehouden van 2 tot 9 juni, en natuurlijk antwoordden de ca. achtduizend dokwerkers, die er aan deelnamen, de vragen bijna unaniem met een 'ja'.

Ook na het referendum bleven de socialisten propaganda maken voor de zesde frank en de dubbele schep, voor één frank loonsverhoging op het basisloon van 5 frank en voor dubbel loon bij overwerk. En tegen de wil en misschien de verwachting in van de leiders gebeurde tenslotte het onvermijdelijke: op maandag 15 juli gingen de graanmannen in staking 'voor de zesde frank'. De graanimport was juist in volle beweging. Om een opstropping te vermijden, liet een firma reeds op 15 juli aan zes frank lossen, en in de volgende dagen gaven nog verscheidene andere stouwerijen toe. Vanaf 20 juli werden alle graanschepen aan het nieuwe tarief gelost.

Voor de patroons was dit gemakkelijk succes een bedreiging: door gedeeltelijke stakingen konden de vakbonden in enkele maanden tijd een loonsverhoging voor alle havenwerk afdwingen; meteen zouden de dokwerkers weer vertrouwen krijgen in de vakbeweging en was de opzet van de Algemene Beroepsvereniging verijdeld. Een tegenzet van de patroons was dus dringend geboden. Daniel Steinmann, een der bijzonderste Antwerpse scheepsagenten, die in 1907 tegelijk voorzitter was van de Scheepvaartvereniging en van de Algemene Beroepsvereniging , bereidde het verweer al tijdens de staking van de graanmannen voor; en hij dacht niet alleen aan verdediging, maar aan een offensief dat voorgoed zou afrekenen met het syndicalisme.

Op een buitengewone algemene vergadering van de Scheepvaartvereniging stelde Steinmann voor, uit Engeland en met de hulp van de Engelse Shipping Federation, dokwerkers naar Antwerpen over te brengen; zij zouden de plaats innemen van de inheemse arbeiders die weigerden voor 5 frank te werken.

De eerste negenhonderdvijftig Engelse dokwerkers arriveerden op maandag 5 augustus met het stoomschip Cambroman. Bij de aanwerving van de volgende dag deelden de forelieden aan de graanmannen mede dat het tarief voortaan opnieuw 5 frank was. Bijna alle werkers weigerden te werken, en werden vervangen door Engelsen. Diezelfde dag eisten de houtmannen eveneens 6 frank loon, en ook zij werden uitgesloten. Zo bleef de situatie tot 20 augustus; alleen de ca. tweeduizend graan- en houtmannen waren in staking. 'Willen is Kunnen' en de Antwerpse Dokwerkersbond probeerden een verdere uitbreiding van de staking te beletten, omdat zij de financiële last ervan niet lang zouden kunnen dragen.

Burgemeester Alfons Hertogs, die vanaf de eerste dag zijn bemiddeling had aangeboden, kon tenslotte op 17 augustus afgevaardigden van beide partijen in zijn kabinet bijeenbrengen. Hij stelde voor dat de patroons in afwachting van een definitieve regeling een basisloon van 5,50 frank zouden toestaan. De Scheepvaartvereniging wees dit compromis van de hand en eiste dat de arbeiders onvoorwaardelijk het werk zouden hervatten; daarna mocht een paritaire commissie hun eisen onderzoeken. Bij een dergelijke capitulatie kon 'Willen is Kunnen' zich natuurlijk niet neerleggen. Maar de patroons handhaafden hun eis en stelden bovendien een ultimatum : de stakers moesten ten laatste op 19 augustus om 16 uur toegeven, zoniet zou men naar andere middelen uitzien. Welke middelen dat waren, vernamen de nog niet stakende dokwerkers op dinsdagmorgen 20 augustus: alle categorieën arbeiders moesten vóór de aanwerving 'uit vrije wil' een schriftelijke verbintenis aangaan, om in het vervolg aan het oude tarief van vóór 15 juli te werken. Bijna alle dokkers weigerden en werden uitgesloten. In de staking waren nu ongeveer tienduizend arbeiders betrokken; alleen de natiegasten en sommige gespecialiseerde categorieën bleven aan het werk.

De strijd werd ongenadig hard. "Une lutte à outrance commence entre le capital et le travail", schrijft het Brusselse blad Le Petit Bleu op 25 augustus. Onverbiddelijk stuurde Steinmann op de vernietiging van de vakbonden aan. Noch het enorme verlies dat de staking veroorzaakte, noch de oppositie, in de Scheepvaartvereniging, van een aantal meer gematigde leden, noch de groeiende antipathie van de openbare mening voor de havenpatroons, konden hem van zijn opzet afbrengen. Hij eiste 'la soumission des ouvriers sans phrases', en hij was er van overtuigd dat de honger de stakers tot deze overgave zou dwingen. Op 4 september zei Steinmann in een inetrview met Le Petit Bleu: "La victoire doit, à mon sens nous rester. Les ouvriers devront céder. C'est dans l'ordre naturel des choses".

Om zich uit de knel te redden besloot het socialistisch stakingscomité op 27 augustus dat alle dokwerkers, behalve de graanmannen en de houtmannen, de door de Scheepvaartvereniging geëiste verbintenis zouden aangaan; deze werkwilligen moesten dan dagelijks steungeld geven voor de stakers. Dit plan om een gedeeltelijke staking zo lang mogelijk te rekken, verijdelde Steinmann door een directe tegenzet: vanaf 29 augustus moesten de dokwerkers van welke categorie ook, die zich op de aanwerving aanboden, eerst naar de graan- en houtboten gestuurd worden tot de ploegen daar volledig waren. Alle dokwerkers zonder uitzondering weigerden dat onderkruiperswerk te verrichten, zodat nu practisch alleen nog uitheemsen, vooral Engelsen en Duitsers in de haven arbeidden.

'Er kan geen sprake meer zij van toegeven, liever barsten dan buigen', had Chapelle diezelfde donderdag 29 augustus gezegd tot een stakersvergadering in 'De Werker'. En de massa leek even vastberaden als haar leiders. Toch nam bij de stakers de verbittering toe om de uitzichtloze situatie, en zij dreef en tenslotte, na vier weken bijna voorbeeldige kalmte, tot oproerigheid. Het begon, vrij onverwachts, op dinsdag 3 september. Benden stakers troepten dreigend samen in het havengebied en begonnen koopwaren en natiewagens te vernielen. In de namiddag kon de politie de toestand niet meer aan. Burgemeester Hertogs vroeg de hulp van de rijkswacht, mobiliseerde de burgerwacht en verbood samenscholingen van meer dan vijf personen. Toen 's anderendaags de stakers nog brutaler optraden en op verscheidene plaatsen van de haven brand poogden te stichten, deed Hertogs ook beroep op het leger om de opslagplaatsen te bewaken. Deze versterking kwam net te laat om een katastrofe te verhinderen: in de namiddag brak een enorme brand uit in de houtstapels van de Ferdinanduspolder, ten noorden van het Houtdok; twee hectaren hout en verscheidene huizen gingen in de vlammen op. Heel de nacht hing de rode gloed van de brand boven het havengebied, en in de stad vroegen velen zich met schrik af of dit onmenselijk conflict tussen twee partijen die even onwrikbaar leken, niet op een onherstelbare ramp ging uitlopen. Maar de brand had de stakers ontnuchterd. Brutale rellen deden zich niet meer voor, hoewel de arbeiders vastbesloten bleven tot het uiterste te strijden. Zij hielden het vol tot 24 september, hoofdzakelijk dank zij een massale steunactie die op 30 augustus begon en waarvan de verdienste vooral aan Christ Mahlman toekomt. De stakers ontvingen hulp uit het gehele land. Aan het steunfonds van de christelijke vakbond schonk Kardinaal Mercier 1000 frank.

Intussen bleef burgemeester Hertogs al maar nieuwe voorstellen tot een minnelijke schikking doen, die stuitten op de beleefde en later brutale weigering van de Scheepvaartvereniging. Er was maar één uitweg, zei Steinmann: eerst moesten de stakers onvoorwaardelijk capituleren, pas daarna zou men hun grieven kunnen onderzoeken. Toen hij zelf niet slaagde, probeerde Hertogs het met tussenpersonen: Charles Corty, voorzitter van de Kamer van Koophandel, Gustave Albrecht, ondervoorzitter van de Scheepvaartvereniging, havenkapitein Julien Bulcke, Alfred Schuchard, voorzitter van de sectie export van de Kamer van Koophandel. Maar geen van deze onderhandelaars kon Steinmann van zijn standpunt afbrengen. Evenmin slaagde de minister van Nijverheid en Arbeid, Armand Hubert. Bij diens derde bemiddelingspoging zei Steinmann in een interview met La Métropole: "Je suis fatigué de le déclarer: nous ne voulons plus de propositions de quelque médiateur que ce soit. Nous voulons la soumission pure et simple. Voilà tout.".

De bemoeiingen van burgemeester Hertogs waren ingegeven door zijn bezorgdheid om de belangen van de haven en van de handel.Maar hij liet zich ook leiden door politieke overwegingen. Vóór de gemeentelijke verkiezingen van 20 oktober bleven er maar enkele weken meer over. Indien er niet tijdig een behoorlijke oplossing gevonden werd, zouden de kiezers de liberale meerderheid in de gemeenteraad verantwoordelijk stellen voor de schade en de wanorde. De eindeloze staking verontrustte niet alleen de liberale burgemeester maar ook de socialistische gemeenteraadsleden en hun partij.in 1899 en 1903 hadden de socialisten te Antwerpen een kartel gesloten met de liberale partij, waaraan zij hun drie zetels in de raad dankten. In de zomer van 1907 hadden zij dit kartel hernieuwd,maar het dreigde nu af te springen door het bitter conflict tussen de liberale Scheepvaartvereniging en de socialistische dokwerkersbond. Dit kon de Antwerpse socialisten al hun zetels kosten. Onafgebroken drongen daarom de socialistische raadsleden Cools, Goetschalck en Terwagne bij de burgemeester aan om ten alle prijze een oplossing te vinden: zij werden hierin gesteund door Albrecht die, behalve ondervoorzitter van de Scheepvaartvereniging, ook liberaal gemeenteraadslid en voorstander van kartel was.
Ogenschijnlijk stond men voor een onoplosbare moeilijkheid: de overmachtige Scheepvaartvereniging eiste een vernederende capitulatie van de stakers, en dat konden vanzelfsprekend de socialistische politici niet aanraden. Toch vonden Cools en Terwagne de oplossing. Met Albrecht zetten zij een kleine samenzwering op touw, waardoor zij de stakers, de Scheepvaartvereniging en vooral de burgemeesterom de tuin leidden maar aan het socialistisch stakingscomité de kans boden, in schijn de staking eervol te beëindigen; meteen klaarde de politieke hemel op en waren de socialistische zetels in veiligheid. Maar belangrijker dan dit politieke succes, is het feit dat Cools, Terwagne en Albrecht door hun intrige de vakbeweging aan de haven van de ondergang gered hebben en tegelijk het paternalisme een beslissende slag toebrachten.

Op zaterdag 21 september kwamen Cools, Goetschalck, Terwagne en Albrecht aan burgemeester Hertogs vragen of hij niet persoonlijk de stakers zou willen aanzetten het werk te hernemen: hij mocht hun tegelijk de verzekering geven dat zij dan binnen de veertien dagen een basisloon van 5,50 frank zouden krijgen. De burgemeester, zeiden de raadsleden, liep met deze beloft geen risico : zij hadden 'de stellige overtuiging' dat in de Scheepvaartvereniging een meerderheid van de leden bereid was een eventuele belofte van de burgemeester in te lossen. Begrijpelijkerwijze aarzelde Hertogs om een dergelijke verantwoordelijkheid op zich te nemen, maar ten slotte liet hij zich overhalen. Nog diezelfde zaterdag verzocht hij het stakingscomité 'dadelijk de arbeid te hervatten aan de vroegere voorwaarden', met de 'plechtige' belofte van een loonsverhoging binnen de veertien dagen. Het stakingscomité, dat een hinderlaag vreesde, legde op 24 september de aangelegenheid voor aan de bondsvergadering van 'Willen is Kunnen'. Na heel wat herrie besloten de 'ruim achtduizend' aanwezige dokwerkers op 26 september het werk te hernemen, gezien de plechtige belofte van de burgemeester. Direct reageerde de Scheepvaartvereniging : langs de pers en via aanplakbrieven verwittigde zij de dokwerkers dat niemand 'gemachtigd' werd, in haar naam 'beloften te doen aan de werklieden'; de arbeiders moesten zich hierdoor niet laten beetnemen; zij zouden er echter goed aan doen, onvoorwaardelijk het werk te hernemen en daarna hun grieven voor te leggen aan het comité van de Algemene Beroepsvereniging.

Dat de belofte van de burgemeester gewraakt werd, kon het verloop van de gebeurtenissen niet meer wijzigen: op vrijdag 27 september was de werkhervatting nagenoeg volledig. Maar omdat 'Willen is Kunnen' de vernedering bespaard bleef van een onvoorwaardelijke capitulatie, verloren ditmaal de vakbondleiders het vertrouwen van dokwerkers niet en bleken zij achteraf de overwinnars van de staking van 1907 te zijn, hoezeer die overwinning ook aan toevalligheden te danken was.

De belofte van Hertogs werd niet nageleefd. De Scheepvaartvereniging bleef bij haar standpunt: zo de arbeiders verlangens hadden, dienden zij die voor te leggen aan het comité. In het najaar van 1907 richtten een aantal dokwerkers tot de Algemene Beroepsvereniging drie omstandig gemotiveerde aanvragen voor een algemene loonsverhoging van 50 centiemen. Na een grondig onderzoek kende het comité een loonsverhoging van een halve frank toe aan de graanmannen en de houtmannen; bovendien werd een commissie aagesteld die de wenselijkheid van een nieuw algemeen loonstarief moest bestuderen. Deze commissie kwam eind november met haar enquête klaar. Op grond van het verslag verwierp het comité een algemene verhoging van het loon, maar het stond een vergoeding toe voor het 'uitbranden' en voor het aanbrengen en weghalen van gereedschap buiten de werkuren; ook werden enkele veiligheidsmaatregelen beloofd.

Hiermee werd een streep gezet onder het eerste grote havenconflict dat schijnbaar met een overwinning van de patroons eindigde. Het comité van de Algemene Beroepsvereniging scheen zijn onbeperkt gezag te handhaven en zonder inmenging van wie dan ook de arbeidsvoorwaarden aan de haven te regelen. Maar in feite had het comité voor de eerste maal toegevingen gedaan onder de druk van een staking, en dit beseften ook de dokwerkers. Wel bleef de Algemene Beroepsvereniging tot aan de eerste wereldoorlog twaalf tot veertienduizend leden tellen, maar diezelfde arbeiders waren ook lid van de socialistische of van de christelijke vakbond, en zij volgden alleen de richtlijnen van hun bond. Door de staking van 1907 hadden zij de hatelijkheid van het paternalisme leren kennen en het middel om er een einde aan te maken: de sterke, eendrachtige vakbeweging.


Bron : De Antwerpse dokwerker 1830-1940 (Karel Van Isacker)

 

                                                                              

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

ajxmenu1