HISTORIEK  HISTORIQUE  HISTORIC

 

 

H

 

 

 

 

 

                                                                                                            


Over het getij zijn boeken te schrijven. Eerder verscheen in De Grote Rede al een uitgebreid artikel met als titel: “Het mysterie van het getij” (Van de Walle & Seys, 2002). Wat echter nog niet aan bod kwam, is waar de termen (ge)tij(de), eb(be) en vloed vandaan komen? Waar vinden die woorden hun oorsprong? We lieten het maanlicht schijnen op deze prikkelende vraag.

INGEWIKKELDER DAN HET LIJKT...
De aantrekkingskracht van de maan – en in mindere mate van de zon – is verantwoor-delijk voor het ontstaan van het getij, de regelmatig op en neer gaande bewegingen van het zeeoppervlak. Dat is alom bekend. Isaac Newton toonde al in 1687 aan dat deze zwaartekrachten de “motoren” zijn van dit fysisch verschijnsel op onze planeet. Maar er spelen nog zoveel andere invloeden mee bij de verklaring van een complex fenomeen als de getijden. Zo is de aardbol niet bedekt met een overal even dikke waterlaag: in ondiepe wateren biedt de zeebodem weerstand, waardoor een vervorming van de getijgolf optreedt.
Continenten en verspreid voorkomende eilanden vormen obstakels op de weg die de getijgolf aflegt. En kustlijnen zijn vaak heel grillig. Alleen in de Zuidelijke Oceaan, tussen 55° en 65° ZB, bevindt zich een brede onon-derbroken strook open water waar het getij ontstaat en van waaruit de lopende getijgolf zich ongeremd kan voortplanten. Hier ligt dan ook de oorsprong van het getij. Op zijn reis door de Atlantische Oceaan, met een snelheid van 200m per seconde, wordt de getijgolf vervormd en gekneed door de coriolis-krachten, de vorm en de eigen slingerperioden van dit oceaanbekken. Pas twee etmalen later bereikt deze getijgolf de Noordzee.
Die vertraging, de ‘leeftijd van het getij’, is er ook de oorzaak van dat springtij telkens twee etmalen na volle en nieuwe maan optreedt. Bij springtij reiken de hoogwaters hoger omdat de zon dan samen met de maan aan het zeeoppervlak trekt. Bij doodtij, het omgekeerde, werken ze elkaar net tegen. Langs de Belgische kust onderscheidt men perioden van vloed (vanaf ca. 2 uur voor tot ca. 3 uur na hoogwater, met een NO-gerichte stroming) en van eb of ebbe (vanaf ca. 2 uur voor tot ca. 3 uur na laagwater, bij een ZW-gerichte stroom). In de perioden tussen eb en vloed keert gedurende ongeveer een uur de getijdestroom van richting, de zogenaamde vloed-kentering en ebkentering.

EEN ETYMOLOGISCH VENSTER OP HET GETIJ
De regelmatige afwisseling van hoog- en laagwater heet in het Nederlands getijde, verkort tot getij en verder tot tij. Getijde is gevormd uit het woord tijd (Germaans *tīdi-), met het voorvoegsel ge- en het achter-voegsel –e. Die prefix-suffix-combinatie voegt een collectiviteitsgedachte toe aan het grondwoord. Het oude achtervoegsel –e ondervond al in het Middelnederlands concurrentie van het thans algemeen gebruikelijke –te, zo werd Mnls. geberge (vergelijk Duits Gebirge) vervangen door gebergte en gebeene door gebeente.
De oudste betekenis van getijde is ‘geheel van (voortschrijdende) tijd’. Die betekenis werd in de loop van de taalgeschiedenis steeds specifieker: van ‘tijd’ naar ‘een bepaalde tijd’, vervolgens naar ‘vaste terugkerende periode’ en ‘terugkerend tijdstip’, tenslotte ook naar een ‘steeds terugkerende toestand of gebeurtenis in een zich herhalende cyclus’. Zoals de wisselende jaargetijden, de liturgische getijden – vast terugkerende gebeden op bepaalde tijdstippen van een etmaal – en de getijden van de zee (EWN i.v. getij). In de Oudnederlandse citaten wordt gitīdi nog gebruikt in de algemene zin van ‘tijd’ of ‘tijdsperiode’ (ONW i.v. gitīdi). In het Middelnederlands heeft getide daarnaast ook al de gespecialiseerde toepassing ‘tijdsspanne (van twaalf uur) tussen eb en vloed of tussen vloed en eb’ (MNW i.v. getide), een betekenis die eerder al is geattesteerd aan Oudengels tīd, waaruit huidig Engels tide.
Volgens de Grote Van Dale betekent huidig Nederlands eb, ebbe zowel (1) het aflopen van de zee na de vloed als (2) laagwater. Het tegenovergestelde van eb in elk van de twee betekenissen heet vloed, dat dus slaat op (1) het wassen van het water, (2) hoogwater. In de vakterminologie van hydrografen zijn eb en laagwater echter niet synoniem, evenmin als vloed en hoogwater. Onder eb verstaat men er enkel het aflopen van de zee na de vloed en onder vloed het opkomen van het water na de eb. Als het water in de getijdencyclus zijn laagste punt bereikt spreken hydrografen van laagwater of laagtij, het hoogste peil noemen zij hoogwater of hoogtij.
De samenkoppelingen met hoog- en laag zijn zonder meer doorzichtig en behoeven weinig verdere verklaring. Een samenkoppeling ontstaat wanneer twee of meer afzonderlijke woorden die in het taalgebruik frequent met elkaar verbonden worden, aaneengroeien en zo een nieuw woord gaan vormen. Zo leidden de adjectief-substantiefverbindingen laag water en hoog water tot laagwater en hoogwater. Andere voorbeelden zijn hogeschool, platteland en wittebrood. Het nieuw ontstane woord heeft doorgaans een beperktere toepasbaarheid dan de combinatie van losse woorden die eraan ten grondslag ligt. Elke waterpartij hoog in de bergen kan men volgens de regels van het Nederlands een ‘hoog water’ noemen, terwijl de samenkoppeling hoogwater exclusief betrekking heeft op een fase van het getij.
Het woord ebbe, ook verkort tot eb, is van Germaanse origine. Het wordt etymologisch gereconstrueerd als abjōn, een afleiding van aba, d.i. de voorloper van bijwoord af, met het stamsuffix -jōn, dat zwakke vrouwelijke substantieven vormt. De eerste vindplaats van ebbe in het Nederlands dateert volgens het EWN uit de tweede helft van de 14de eeuw. Eerder al treffen we het woord aan in het Oudengels en het Oudfries als ebba en in het Oudsaksisch als ebbiunga. Het Oudhoogduits kende het niet, pas in de late 16de eeuw nam het Hoogduits ebbe over uit het Middelnederduits (d.i. de opvolger van het Oudsaksisch). Het Oudnoors, waaraan de Scandinavische talen ontsproten, bezat weliswaar een zustervorm efja, maar met een andere betekenis, nl. ‘tegenstroom in een rivier’. Daaruit ontstonden Noors evia en in het Zweeds ävja en ava, woorden met betekenissen in de sfeer van modder, drab en moeras. Deens ebbe en Zweeds ebb zijn geen autochtone afleidingen van van abjōn, maar ontleningen uit het Nederduits of het Nederlands (EWN i.v. eb; Kluge-Mitzka i.v. ebbe).
Vloed is al in het Germaans afgeleid van de stam van vloeien. Oorspronkelijk betekent het substantief ‘het vloeien, stromen’. Dat is later geconcretiseerd tot ‘waterstroom’ en vervolgens ‘opkomend water’. Het woord komt voor in de oudste stadia van alle Germaanse talen. Maar of het toen in al die talen gebruikt werd met betrekking tot de getijdencyclus, is niet helemaal duidelijk. Dat was wél het geval in het Vroegmiddelnederlands, getuige de in het EWN (i.v. vloed) aangehaalde passage uit het VMNW: eer dat schep te lande quam So hif en storm fel ende gram Die so uerhif die seewsche vloet Dat si dat schep so voert verloet ‘voor het schip aan land kwam, stak een woedende storm op, die de vloed zo opjoeg dat deze het schip dadelijk bedolf’ (1265-70).
In de moderne Westgermaanse talen is vloed enkel in het Nederlands een veelgebruikte benaming voor opkomend water of hoogtij.
Het Engels gebruikt voor dat laatste high water, naast het minder courante flood tide, in het Duits spreekt men van Hochwasser, en de Friezen zeggen heech tij. Engels flood en Duits Flut hebben de betekenis ‘overstroming’ aangenomen. Nog even aanstippen dat eb(be) en vloed in de dialecten langs de Vlaamse enkel in de visserstaal voorkomen, en dan nog voornamelijk in uitdrukkingen als de vloed/de ebbe afvissen ‘vissen bij opkomend/aflopend tij’. Dialectsprekers die niets met de visserij te maken hebben, spreken van hoog- en laagwater. Wel ruim verspreid aan de middenkust is de samenstelling springvloed ‘springtij’. Daarvoor zijn in de visserstaal ook springtij, stroomtij, gierstroom, giertij en sterkstroom in gebruik (Desnerck i.v. ébbe en vloed; WVD Zeevisser, p. 366-47).

 

                                                                           RABSBANK
Onopvallende zandbank of toch niet helemaal De Rabsbank is een kleine en weinig opvallende ondiepte in het grensgebied van het Belgische en Nederlandse deel van de Noordzee. De ondiepste plekken liggen 9 m onder het laagwaterpeil, of 10-15 m hoger dan omliggende geulen. De Rabsbank bevindt zich zo’n 30 km uit de kust van Zeebrugge en vormt een oostelijke uitloper van de Thorntonbank. Beide behoren tot de groep van Zeelandbanken, een stabiel zandbankencomplex evenwijdig gerangschikt voor de Zeeuwse kust. De stroomsnelheden halen er tot 0,6-1 m per seconde en de bank bestaat grotendeels uit zand. Aan de landzijde treft men holocene kleilagen.
Nauwelijks zo’n tien kilometer ten oosten van de Rabsbank werd in 2006 een heel bijzondere ontdekking gedaan. Een schelpenzuiger vond toen in het Middeldiep een wenkbrauwboog van een Neanderthaler. De eerste vondst van deze mensensoort op Nederlandse bodem! Het bleek om resten van een jonge man te gaan, wat hem de naam Krijn opleverde.

NAAMSVERKLARING ONZEKER
De Rabsbank komt voor het eerst onder die naam voor op de kaart van Stessels uit 1866. Ook op de Blankenbergse zeekaart van rond 1900, duikt Rabs ongeveer op dezelfde locatie op als de ‘Aventuren’, een – noch eerder, noch later – op zeekaarten vermelde naam.
Voor de naam Rabsbank kunnen we geen sluitende verklaring presenteren. In de gewone woordenschat van het – huidige of historische – Nederlands dient zich niet meteen een woord aan waarvan het eerste deel van de samenstelling afgeleid zou kunnen zijn. Daarom vermoeden we dat er een persoonsnaam achter schuilt. Te denken valt aan Rabbe, Rabs of Raps. Rabbe/Rappe is een vadersnaam of patroniem, wat wil zeggen dat de eerste naamdrager bijgenoemd werd naar zijn vader, die Rabbe of Rappe heette. Die voornaam, die vandaag trouwens nog zeldzaam voorkomt in Nederland, gaat terug op Rabbo of Rappo, een verkorte Germaanse vleivorm uit Radboud of Radbrecht. Andere varianten van het patroniem zijn o.m. de familienamen Rap, Raeps, Rapé en Rappé (Debrabandere 2003, 1017).
In deze zeewoordenrubriek werden eerder al zandbanken behandeld waarvan het eerste deel aan een persoon herinnert, zoals de Thorntonbank (DGR 12), de Blighbank (DGR 19) en de Lodewijksbank. In de eerste twee gevallen gaat het om bekende en daardoor gemakkelijk te identificeren personen, resp. John en Samuel Thornton, beroemde Britse cartografen, en William Bligh, de roemruchte kapitein van de Bounty. De Lodewijksbank plaatste ons voor problemen. In onze eerste bijdrage hierover (De Grote Rede 28) lieten we enkele beroemde Lodewijken de revue passeren, maar geen van hen bleek plausibel als leverancier van het benoemingsmotief. Voortschrijdend inzicht bracht ons tot de veronderstelling dat de naam herinnert aan iemand van eenvoudiger status, een visser of een varensgezel met de achternaam Lodewyck of Lowyck, een naam die uitgerekend aan de Belgische kust – van Nieuwpoort tot Knokke – frequent voorkomt. Die persoon zou ter hoogte van de bewuste bank iets opmerkelijks, misschien wel tragisch, hebben meegemaakt, wat de Blankenbergse vissers ertoe bracht de bank naar hem te vernoemen. We vermoeden dat voor onze Rabsbank in dezelfde richting moet worden gezocht. Net zoals de familienaam Lodewyck treffen we een van de genoemde Rabs-varianten, nl. Rappé, voornamelijk aan langs de kust, in dit geval de oostkust. De meeste naamdragers, waaronder meerdere vissersfamilies, wonen in Heist. Wie weet is de man waaraan de Rabsbank herinnert wel een voorzaat van de Heistse Rappé’s? Een man die als visser te laag op de maatschappelijke ladder stond om door de geschiedschrijvers te worden opgemerkt? Het blijft natuurlijk speculatie, en er is weinig hoop dat de ware naamgever ooit nog ergens in een bron zal opduiken. Tenzij stamboomonderzoek naar de familie Rappé alsnog licht werpt op het mysterie.


BRONNEN
- DEBRABANDERE F. (2003), Woordenboek van de familienamen in België en Noord-Frankrijk. Amsterdam / Antwerpen, Uitgeverij L.J. Veen. Tweede uitgave
- Desnerck R. (2006). Oostends Woordenboek. Oostende. Vierde uitgave
- EWN = Philippa M., Debrabandere F. & Quak A. (2003- 2009). Etymologisch woordenboek van het Nederlands, 4 delen. Amsterdam, Amsterdam University Press. Te raadplegen op http://www.etymologiebank.nl
- Kluge F. & W. Mitzka (1957). Etymologisches Wörterbuch der deutschen Sprache. Berlin, Walter de Gruyter & Co. 17e uitgave.
- M NW = Verwijs E. & J. Verda m (1885-1929). Middelnederlandsch Woordenboek. ’s Gravenhage. (http://gtb.inl.nl/?owner=MNW)
ONW = Oudnederlands woordenboek.
(http://gtb.inl.nl/?owner=ONW)
Van de Walle B. & J. Seys (2002). Het mysterie van het getij. De Grote Rede 6: 2-6.
- VNMW = W.J.J. Pijnenburg e.a. (2001). Vroegmiddelnederlands woordenboek. Leiden, Gopher Publishers. (http://gtb.inl.nl/?owner=VMNW)
- WVD Zeevisser = Roxane Vandenberghe (2000). Woordenboek van de Vlaamse dialecten. Deel II. Niet agra-rische vaktalen. Aflevering 7: De Zeevisser. Gent, Tongeren.

 

De Grote Rede n° 51

 

                                                                                    

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

ajxmenu1